Blog2Blog Maak je eigen Blog2Blog | Gratis je eigen blog c.q weblog op internet
Carpe(r) Diem

Carpe(r) Diem

16/5/2010 - (Garen)spin doctor

De hoofdredacteur: ‘OK jongens, wat hebben we tot nu toe?’
Els: ‘Ik heb foto’s. Van Hyves geplukt, fluitje van een cent. Klasgenootjes, en buurjongens en –meisjes. En zijzelf natuurlijk’.
De hoofdredacteur: ‘Mooi werk Els. Die zetten we dus op de voorpagina. Nog meer?’
Els: ‘Nou, ik ben ook eens even gaan navragen bij de plaatselijke carnavalsvereniging. Daar waren ze lid van, die ouders. Schijnen echte feestnummers te zijn geweest. Maar ook op de centen, begreep ik van de penningmeester. Ze betaalden hun contributie altijd pas na drie aanmaningen. Misschien hebben ze daarom bij zo’n prijsvechter geboekt. Daar zit nog wel een goed verhaal aan vast. Die penningmeester wil wel een boekje open doen, heeft ie gezegd’.
Wim: ‘Eh…’
De hoofdredacteur: ‘Wat is er, Wim?’
Wim: ‘Kunnen we dat wel maken?'
De hoofdredacteur: ‘Ja natuurlijk kunnen we dat maken, sterker nog, dat moeten we maken. We zijn een wakkere krant, weet je nog?’
Wim: ‘Dat weet ik wel maar…’
De hoofdredacteur: ‘Niks maar. Jolanda, hoe zit het met dat telefoongesprek met dat kind?’
Jolanda: ‘Gaat zo gebeuren. Heb het op een akkoordje gegooid met die Libische arts. Goed ziekenhuis hoor…echt helemaal van deze tijd..’
De hoofdredacteur: ‘Prima. Zeg, en je zorgt wel voor een paar goeie quotes hè… de ontreddering van dat kind moet er echt afspatten. Maak hem maar aan het huilen of zoiets. Vraag of ie ze al mist, zijn ouders en zijn broertje. En zijn knuffel, die is ie vast ook kwijt. Hartverscheurend. Dat soort dingen hè, daar moet het over gaan. Dat het echt dicht bij de mensen komt. Want dicht bij de mensen, daar zijn wij van. En zeg tegen die Libiërs dat ze een foto van hem maken terwijl hij met jou belt. En dan wel even dat verband een stukje naar boven schuiven, anders zien we zijn betraande oogjes niet. Maar goed, dat hoef ik jou allemaal niet te vertellen..’
Jolanda: ‘Tuurlijk niet Sjuul, laat dat maar aan mij over. Van Els heb ik ook nog een bandje, met een geluidsopname van zijn moeder. Door de plaatselijke carnavalsvereniging gemaakt. Je hoort haar trompet spelen en ‘alaaf’ roepen. Echt klasse Els. Dat laat ik hem zo horen. Succes verzekerd’.
De hoofdredacteur: ‘Sterk, heel sterk. Ik ben trots op jullie. Wim, jij bent ondertussen met Jack de Vries bezig?’
Wim: ‘Eh..ja. Ik heb via iemand bij Defensie een foto waar ze allebei op staan. Zijn vrouw en zijn minnares, bedoel ik. Maar ik denk…’
De hoofdredacteur: ‘Schitterend! Meteen plaatsen! Zet maar naast dat artikel van Jolanda. En er was toch een roddel over een schuttersputje? Waar hij in is gekropen, met haar? Met die geile adjudante? Hahaha!’
Els: ‘Hahaha!’
Jolanda: ‘Hahaha!’
De hoofdredacteur: ‘Dat moet je uitzoeken Wim, dat van dat putje. Tot op de bodem. Hahaha!’
Els: ‘Hahaha!’
Jolanda: ‘Hahaha!’
Wim: ‘….’
De hoofdredacteur: ‘Wij hebben toch ook een informant in die kazerne zitten? Daar moet je vol op, Wim. Details wil ik. Ranzige, groezelige details. Hij heeft haar vast ook wel eens genomen op de stormbaan. Of in een tank. Of achter de schermen bij De Wereld Draait Door, dat linkse hobbyprogramma. Er moeten mensen zijn die dat gezien hebben. Vraag het anders even aan iemand van GeenStijl, daar hebben ze heel veel verstand van dat soort dingen. En oh ja, ik wil ook iets over zijn gezin. Foto’s van zijn vrouw. Als ze de vuilniszakken weer binnen haalt, vette wallen, niet geslapen natuurlijk, en als het meezit snikkend van ellende. En ga ook even langs bij de school van zijn kinderen. Tien tegen 1 dat die schoolresultaten gekelderd zijn, de afgelopen tijd. En die oudste, heeft die geen gedragsproblemen ondertussen? Dat kan niet anders, met zo'n rotzooiende vader. Haal dat boven water, Wim! De mensen hebben er recht op om dat soort dingen te weten!’.
Wim: ‘Eh…o ja. Ja, OK’.
En zo eindigde de redactievergadering. 'Ziezo', dacht de hoofdredacteur tevreden. 'Wat een mooi vak heb ik toch'.
Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

9/5/2010 - Koestercursus

Meteen maar even to the point: ik wil een koestercursus. Ik kan het namelijk niet, koesteren. Ja, mensen van wie ik houd, die koester ik heus wel. Of huisdieren. Of een krakend blauwe lucht op een mooie winterdag, en dan een boswandeling met mijn liefje, en daarna een glas Rosso di Montalcino bij de open haard. Dat lukt allemaal best, qua koesteren. Maar mijzelf? En dan vooral in mijn werkend bestaan? Hopeloos. Echt ho-pe-loos. Met name bij eh...succes manifesteer ik mij als een ware Koesterkneus. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit het feit dat ik ‘succes' niet gewoon in één keer opschrijf, maar er een aarzelend ‘eh...’ aan vooraf laat gaan (belachelijk!). Bovendien schrijf ik ‘succes’ met een kleine letter, terwijl ik heel vaak een hoofdletter gebruik voor woorden die ik wil benadrukken, zoals bijvoorbeeld ‘Koesterkneus’. En trouwens, als ik op de plek van ‘succes’ ‘Mislukking’ had willen schrijven, dan had er wél een hoofdletter gestaan. Zie je wel? Dat is dus het punt: dingen die goed gaan maak ik steevast kleiner dan de debacles, de uitglijders en de zeperds. Ja mensen, het is een treurige toestand met mij. Even in het kort hoe het werkt. Stel. Ik heb ergens succes mee. Hoe ga ik daar dan mee om? Niet. Laat ik het eens lekker landen en geef ik het een plekje in mijn Koesterkabinet? Om er daarna nog vaak vergenoegd naar te kijken, en zo gestaag verder te bouwen aan vertrouwen in mijzelf en in de goede afloop der dingen? Nee. Héb ik eigenlijk wel een Koesterkabinet? Tuurlijk niet. Wat ik wél heb, is een Maalmolentje. Dat zit in mijn hoofd. Er zit een hamstertje in. Nee, dit is geen SBS-6 sensatie verhaal uit de reeks 'Ongelooflijke & Waargebeurde Ranzige Verhalen met Dieren In Hoofden van Mensen'. Het is echt waar. Het is geen gewoon hamstertje, maar een hyperactief, hysterisch ADHD-beestje, dat accuut op hol slaat bij misrekeningen, verkeerde inschattingen en andere imperfecties in mijn doen en laten. We kunnen het eindeloos volhouden hoor, die hamster en ik. We malen ons helemaal suf over wat er allemaal beter had gemoeten. Het is vooral heel erg als ik kritiek krijg, of, zoals dat heel professonieel heet: een Tip (let op de hoofdletter). Maal-maal-maal-maal...niet stil te krijgen, dat klere-molentje (je zou het haast een succes kunnen noemen). Nou kan ik natuurlijk laten uitpluizen hoe dit allemaal zo gekomen is, door iemand die daar verstand van heeft. Die gaat dan natuurlijk vragen hoe het vroeger was, in ons gezin en op school en zo, en of ik wel eens gedacht heb aan geneeskrachtige stenen of groene klei. Maar dat duurt dan weer zo lang. En het geeft ook zo’n troep, met die klei. Doe mij dus maar een compacte Koestercursus. Zoiets bestaat toch wel? Gewoon een cursus, met heldere leerdoelen, gegarandeerd resultaat en een glanzende brochure: ‘Koesteren A is een zeer toegankelijke beginnerscursus, waarin u leert om op een natuurlijke manier stil te staan bij alles wat gewoon hartstikke goed gaat in uw leven. Dit doet u door middel van praktijkgerichte oefeningen, inspirerende kringgesprekken met medecursisten, en 1-op-1 sessies met uw eigen Koestercoach. Al na een paar lessen bouwt u een open en positieve relatie op met al uw Successen, Triomfen en Glansrijke Momenten. U leert hoe u daar nou eens gewoon eens lekker ongedwongen van kunt genieten. U ontdekt uw eigen Koesterkracht, en gaat deze als vanzelf toepassen in uiteenlopende situaties: in uw werk, in uw persoonlijk leven, in de vrije natuur, in binnen- en buitenland. Malen over wat er allemaal mis is? Na deze cursus is het definitief voorbij. En wilt u zich verder ontwikkelen in het Koesterwezen? Dat kan. Onze vervolgcurssen, Koesteren B en C,  bieden alle mogelijkheden voor verdieping en groei’.  Sjonge. Wat een goed idee eigenlijk. Ik zou er eigenlijk zelf mee de markt op moeten. Volgens mij zou ik er een hoop Succes mee hebben. Maar ja, daar heb ik dan weer niks aan. Toch eerst maar zelf op cursus dus. Waar kan ik me opgeven? Iemand een Tip?

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

26/4/2010 - Nooit meer Cecile

Een goede vriendin van mij viert haar veertigste verjaardag in een kroeg. Het loopt er al snel vol met vrienden en vriendinnen die bijna allemaal ook veertig zijn, of iets in die buurt.

We hebben het er over. Over hoe meisjes en jongens van twintig naar je kijken, en dat je die blik (‘jeetje, die is oud zeg!’), nog wel herkent van toen je zelf die goddelijke leeftijd had en keek naar stokoude gerimpelde wezens die destijds net zo oud waren als jij nu. Over dat het ook heus wel voordelen heeft hoor, dat rijpingsproces, je weet tenminste wat je wilt in het leven en je hebt inmiddels overal schijt aan (ik heb helemaal niet overal schijt aan, was het maar zo, maar dat terzijde). Eén van ons vertelt dat ze steevast geschokt is als men haar, in een winkel of in de bus, ‘mevrouw’ noemt. Wat is daar eigenlijk erg aan, vragen wij ons in al onze rijpheid af. We komen tot de conclusie dat ‘mevrouw’ je ouder maakt dan je bent, ook al voel jij je nog zo jeugdig in je King Louie jurkje. En dat het afstand schept. Een ‘mevrouw’ is nooit iemand die je goed kent, een Facebook vriendin of iemand met wie je doorzakt tot in de de kleine uurtjes. Maar ja, ‘mevrouw’ is natuurlijk wel netjes en beleefd. Het zou me een mooie boel worden zeg, als ‘mevrouw’ geheel en al zou verdwijnen uit onze taal. Hoe los je dat dan op als je elkaar niet kent? Of als die ander een klant is en jij, ik noem waar wat, achter de kassa zit bij Albert Heijn, of aan de telefoon in een call center? ‘Spaar je Efteling zegels, Thea?’, ‘Wat is je klantnummer’, Marjolijn?’. Brrrr. Toch wel prima eigenlijk, dat ‘mevrouw’.

Maar dan moet ik ineens denken aan mevrouw Jaspers. Mevrouw Jaspers woont in een verzorgingstehuis. Mijn buurvrouw is daar kapster. Elke donderdag zit mevrouw Jaspers bij haar in de stoel. Op één van die donderdagen had ze vol trots een foto van haar kleindochter laten zien. ‘Wat een leuke meid. Hoe heet ze?’, had mijn buurvrouw gevraagd. ‘Cecile', glom mevrouw Jaspers. ‘Net als ik’. ‘Goh. Heet u Cecile? Mooie naam zeg. Past bij u’. Mevrouw Jaspers had even verbaasd gekeken, en toen had ze geglimlacht. Ze vertelde dat ze eigenlijk nooit meer bij haar voornaam werd genoemd. Ze vroeg zich af of ze in het verzorgingstehuis überhaupt wel wisten dat ze een voornaam had. Daarna staarde ze zomaar een beetje voor zich uit. Misschien dacht ze wel aan de tijd dat ze als Cecile haar eerste sigaret had gerookt, of aan haar pret met giechelende bakvis-vriendinnen die ook allemaal gewoon nog een voornaam hadden, of aan de liefdesbrieven van haar verloofde, die steevast waren begonnen met ‘mijn allerliefste Cecile’. Prachtig was dat. Maar inmiddels was ze al jaren alleen nog maar mevrouw Jaspers.

Nu ja. Wat valt er te leren uit bovenstaande? Dat er in het ‘mevrouw-wezen’ dus minimaal twee varianten bestaan: een prettig-fatsoenlijke en een ‘u doet er niet meer echt toe dus wat maakt ons het uit hoe u heet’- variant. Die laatste is waarschijnlijk vaak onbedoeld en niet expres en zo, maar toch. Hoe gaat zoiets, vraag ik me af. Wanneer houd je op je voornaam te zijn, en val je volledig samen met je ‘mevrouw-zijn’? Wie beslist dat eigenlijk? Kan zo’n beslissing ooit nog teruggedraaid worden? En wat doet dat dan met je? Best wel veel, volgens mij. ‘Ik heet, dus ik ben’, toch? Maar wat ben je dan als je, strikt genomen, hetzelfde heet als alle andere mevrouwen en meneren in het verzorgingstehuis? Dan ben je stilletjes aan van een uniek, bijzonder, met liefde bereid gerecht een nietszeggend Broodje geworden. Broodje Kaas, Broodje Bal, Broodje Eenheidsworst. Maakt in wezen niks meer uit. Ik vind het een griezelig vooruitzicht. Dat het ooit zover kan komen dat ik mijn eigen voornaam nooit meer hoor. Car. Zo heet ik. Als iemand mij zo noemt voelt dat fijn. Zie mij! Hallo, joehoe! Ik ben het! Car!

Met andere woorden. Veertigers: hou vast, die voornaam. Vind een oplossing voor de Albert Heijn en het call center, maar hou ‘m in vredesnaam vast. Twintigers: mind you, wij zijn geen Broodjes. O ja, en dan nog iets: lang leve Cecile. 

 

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

20/4/2010 - Oost West As Best

Ik droom dat we allemaal niet weg konden. We waren klaar met een vakantie of een zakenreis,  en nu wilden we naar huis. Maar dat kon dus niet. Want er was een vulkaan uitgebarsten. Ergens op een eiland, waar een jaar eerder ook al een bank was omgevallen (het klimaat is daar nogal heftig). Beide gebeurtenissen hadden ongeveer hetzelfde effect: ze kostten handenvol geld, ze strooiden roet en vooral as in het eten, mensen werden er boos van en vroegen zich massaal af: ‘waar zijn wij eigenlijk mee bezig?’ In mijn droom waren we bezig met Wachten. Dus eigenlijk met Niets. We hingen maar een beetje rond, in vertrekhallen, op bankjes en op de vloer. We zaten op onze koffers, aten chips en koekjes, twitterden en belden met overzeese dierbaren. Velen van hen zaten óók ergens in een vertrekhal op hun koffer. In het begin geloofden we het gewoon niet. Een paar van die wolkjes, kom op zeg! Toen bleek dat het toch best link was, vliegen in die wolkjes, dachten we nog dat het waarschijnlijk wel snel opgelost zou worden. Dat iets of iemand, waarschijnlijk van hogerhand, zou ingrijpen. Dat ging toen met die bank toch ook zo? Nou dan. Maar ja, niemand greep in, want dit soort natuurverschijnselen laat zich nou eenmaal niet inkapselen of nationaliseren of opsplitsen in kleine beheersbare eenheden met een duidelijke focus. Toch anders dan bij een bank. Dus.Toen werden we kwaad. We vonden het een Schande. Doe iets! We moeten weg! We hebben verplichtingen! Nee, niet hier, ergens anders! Sommigen riepen kwaad dat we de kosten van deze hele ellende maar op het eiland moesten verhalen. Het was tenslotte hun vulkaan. Maar al gauw drong het besef door dat dat waarschijnlijk niet kon. Dat ze op dat eiland al volledig op zwart zaad zaten, en van een kale kip…nou ja, affijn. De paniek sloeg toe. We klampten een plukje verward ogende grondstewardessen aan. Die gaven ons kleurplaten en nog meer chips en koekjes, wezen ons op het entertainment programma bij gate E67 en zeiden dat ze er verder ook niks mee konden. En toen kwam het. De Berusting. Ineens vonden we het niet meer erg. Ik weet niet precies hoe het kwam, maar er daalde iets zen-achtigs over ons neer. Voor het eerst keken we eens aandachtig om ons heen. Wat een leuke mensen eigenlijk, overal op die koffers! En zo veel ook! Hoi, hoe heet jij? Waar naartoe ben jij onderweg? Anekdotes kwamen los. We begonnen elkaar onze levensverhalen toe te vertrouwen. Onze geheimen. We lieten elkaar foto’s zien, van gemaakte reizen, van onze kinderen, huisdieren en hobby’s. We begonnen gedichten te schrijven met titels als ‘De Lof der Langzaamheid’ en ‘Hulde aan die fijne pluim, nimmer was de lucht zo ruim'. En die lazen we aan elkaar voor. Er werd een kampvuur gemaakt, vlak bij de paspoort controle, en daar zongen we liederen (minsten 15 mensen bleken een gitaar bij zich te hebben). Er bloeiden liefdes en vriendschappen op. Geen wonder ook. Eindelijk hadden we eens tijd om ons echt in elkaar te verdiepen. Even hadden we toch niets beters te doen. Op TV schermen boven onze hoofden deden reporters-ter-plaatse verslag van de situatie. ‘Het is duidelijk dat het de komende dagen nog onduidelijk zal blijven’. We vonden dat een mooie zin. Een filosoof op doorreis zei dat het hem aan Socrates deed denken. Daarop ontstond een discussie over het taalgebruik in het Journaal, de filosofie in het algemeen, en de oude Grieken in het bijzonder. We genoten ervan. Het was fijn. Maar dan word ik wakker en kijk op Teletekst. Hier en daar vliegt alweer voorzichtig een Boeing. Daar heeft Camiel Eurlings voor gezorgd (ik vermoed dat hij even heeft gebeld met zijn ik-kies-voor-mijn-gezin-collega Wouter Bos om te vragen hoe hij dat destijds heeft opgelost. 'Jij had toch ook gedonder met dat eiland, Wouter?' En toen heeft Wouter een paar bruikbare tips gegeven. Ik weet het zeker). Dus weldra zoemen de vertrekhallen weer van activiteit. Wie gestrand is, kan dan eindelijk verder. Misschien verstopt een enkeling zich ergens op een toilet, om nog even niet te hoeven. Maar de meesten reizen verder. Einde droom.

 

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

18/4/2010 - Pinnen

Ik moet nog even pinnen. Voor mij twee vrouwen, mijn leeftijd ongeveer. Ze kennen elkaar. Zussen of buren of vriendinnen van jaren her. Eén van hen pint, de ander staat er gezellig naast. Allebei met de fiets aan de hand. Onderwerp van gesprek is Marloes. Die zijn ze net tegen het lijf gelopen. Ze kennen haar nog van vroeger. ‘Ik zag haar, en ik dacht, goh, niks veranderd’, zegt de een. ‘Had ik precies zo’, zegt de ander. ‘Ja, en weet je wat ik ook meteen dacht?’, gaat nummer één verder, ‘ik dacht, nee, ik wist zéker dat die geen kinderen heeft gekregen’. Schampere lach van de ander. Dat had zij precies zo. Ze had het ook meteen gezien. Waar zien ze dat aan?, vraag ik me af, maar voordat ik daar zelf allerlei theorieën over kan ontwikkelen, volgt daar al het antwoord van het pinnende tweetal. ‘Ze zag er uit alsof…ja, hoe moet ik het zeggen, alsof er gewoon niks met haar gebeurd was, al die tijd’. ‘Ja. Ik vond haar toen ook al een beetje nietszeggend eigenlijk’.

De dames zijn uitgepind en fietsen vrolijk doorkeuvelend weg. Kinderzitjes, alle twee, voor en achter. Ik ben licht onthutst door zoveel stelligheid, en blij dat Marloes zelf in geen velden of wegen te bekennen is. Heeft ze tenminste niet gehoord hoe ze in een paar zinnen als Nietszeggende Kinderloze is afgeserveerd. Wat zou haar verhaal zijn? Zouden die twee dat hebben gecheckt? Op een of andere manier denk ik van niet. Ik kom zelf tot de conclusie dat er grofweg twee opties zijn: A) Marloes heeft inderdaad geen kinderen. Geen wonder dat ze er nog steeds zo goed uit ziet. B). Marloes heeft vier kinderen en al haar bevallingen zijn glansrijk verlopen. Niet één keer uitgescheurd, geen hormonale hysterie en depressies, en al lang weer een mooie platte buik. Ze is ook nooit moe en heeft alles perfect geregeld. Zij en haar man (die haar op handen draagt) hebben nog heel vaak sex (met elkaar), over de opvoeding zijn ze het altijd eens, en alle vier de koters blaken van gezondheid en levenslust. Geen wonder dat ze er nog steeds zo goed uit ziet.

Voor ik verder ga, even één ding voorop: ik hou van moeders. Van mijn eigen moeder, in de eerste plaats. Van de moeder van mijn lief. Van al mijn moederende vriendinnen. Van zomaar moeders die ik verwoed zie trappen met een fiets vol boodschappen, armpjes van zoon of dochter stevig om het middel, een vrolijk liedje zingend tegen de wind in. Maar. Er zijn ook Hinderlijke Moeders. HiMo’s, zogezegd. Sorry. Maar ze zijn er echt. Je loopt de kans ze tegen te komen op, ik noem maar wat, een schoolplein waar je als oppas-tante je nichtje gaat ophalen. HiMo’s verdelen de wereld in ‘moeders’ en ‘niet-moeders’. Ze zien ook meteen tot welke categorie jij behoort. Ben je moeder, dan tel je mee. Ben je niet-moeder, dan ben je sneu. In jouw leven gebeurt namelijk niets. Niets wat er werkelijk toe doet, in elk geval. Beetje een beeld van het HiMo-denken? Goed. Terug naar Marloes.

Ik laat optie B even voor wat ie is (hij zou zomaar kunnen, overigens. In dat geval hoop ik dat Marloes en haar hele gezin binnenkort een keer opduiken in de Libelle, in een frisse lentereportage waarin iedereen een vrolijke bloes aan heeft en alles op rolletjes loopt. Pinnende dames, eat your heart out!). Ik sta stil bij optie A. Stel dat die klopt. Zou Marloes daar dan verdrietig over zijn? Kan best. Dat ze had gehoopt de liefde van haar leven te vinden om daar dan vervolgens allerlei leuke kinderen mee te maken. Maar dat dat om een of andere reden niet is gelukt. Ja, misschien nog wel met die liefde (ik hoop het, ik hoop het!), maar dus niet met dat nageslacht. In dat geval, HiMo’s, is fijngevoeligheid op zijn plaats. Wat ook kan, binnen optie A, is dat Marloes het eigenlijk wel prima vindt zo. Ze wilde gewoon geen kinderen, that’s it. Als dat het is, dan passen respect en felicitaties. Bravo Marloes, leef je droom! Dus. Lieve HiMo’s. Zet je vizier open. Wees aardig. Zoek eerst eens uit hoe het zit. Bezint eer ge vastpint.

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

15/4/2010 - Vooroordeel

Vandaag zie ik, in een Amsterdamse parkeergarage, een zwarte Porsche Carrera staan.

Met een kinderzitje erin. Ik blijf even staan. Hoe zit dat? denk ik. En dan bedoel ik niet: ‘hoe zit zo’n zitje?’, maar: ‘hoe zit het dat zo’n zitje in zo’n Porsche zit?’. Ik vind een kinderzitje totaal niet passen bij een Porsche. Ik associeer een Porsche namelijk met kijk-mij-eens succesvol zijn, Duitse autobanen, (nieuw) geld, 180 km per uur waar het niet mag, en ga zo maar door. Niet met kinderzitjes. Wat is er gebeurd met de bezitter van deze Porsche, dat hij (het is een hij, heb ik zojuist besloten) er een kinderzitje in heeft laten proppen? O, maar ik weet het al. Deze Porsche is natuurlijk van een Snelle Geslaagde Jongen. Mark heet ie. Of Edwin. Een vroege dertiger die heel snel veel geld heeft verdiend. Iets met vastgoed, toen het nog goed ging, en op het hoogtepunt het bedrijf verkocht. Zoiets. Op het eerste oog is Mark of Edwin ‘one of the guys’. Half lang haar, iets te korte dure broeken van Oger, elke vrijdag middag borrelen in een place to be, hard lachen en hard praten en dubbel parkeren of je auto gewoon op de stoep zetten.

Maar er is wel iets met Mark-of-Edwin. Vroeger, op school, was Mark (of Edwin) altijd een beetje het sulletje van de klas. Wel slim. Maar niet heel knap. En ook niet goed in sport. Best wel gepest ook. Pas toen hij succes kreeg met zijn bedrijf, slaagde Mark/Edwin erin de last van het sulletje-zijn van zich af te werpen. Ik zal ze eens een poepie laten ruiken, moet hij gedacht hebben, vlak voor de reünie. En hij schafte zich een zwarte Porsche Carrera aan. Kon het schelen. Geld zat. Op die reünie (waar hij –victorie!- pal voor de hoofdingang van zijn oude middelbare school kon parkeren) was ook ene Annemarie. Vroeger het stuk van de klas. Nu nog vrijgezel. Net als Mark/Edwin. Vroeger, op de Havo, zag zij hem niet staan. Nu ineens wel (pal voor de hoofdingang). Ze zijn niet zo heel lang na die reünie gaan samenwonen. Op initiatief van Annemarie. Mark-of-Edwin liet het gebeuren. Hij kon zijn geluk niet op. Annemarie! Met hem! Hij was nu officieel sulletje-af. Held! Dat was zijn nieuwe status. Maar goed, al snel bleek dat Annemarie van alles wilde. Een kind, bijvoorbeeld. Dat lukte. En toen wilde ze dat hij de Porsche weg deed. Dat is toch geen doen, zo’n zitje. Straks komt dat kind nog klem te zitten met haar fontanel tegen het dak. Maar toen ging Mark/Edwin, op zijn strepen staan. Eens een held, altijd een held, flitste het door zijn hoofd. En trouwens, bij het idee om met een gezinswagen te moeten dubbel parkeren bij de place to be, schaamde hij zich bij voorbaat dood. Dus zodoende. Een kinderzitje in de Porsche. Sindsdien vreest Mark of Edwin het moment dat Annemarie plakplaatjes op de zijruit van de Porsche wil. Het valt niet mee om held te zijn.

Zo denk ik er lustig op los, beste lezer. Totdat ik me plotseling realiseer dat het misschien wel helemaal niet waar is allemaal. Hoe kom ik hier eigenlijk bij? Hoezo Mark of Edwin? Wat nou geslaagde vastgoed ondernemer annex sulletje? En die Annemarie, waarom moet dat nou meteen weer zo’n drammerig golddigger-type zijn? Ik ben geschokt door mijn eigen geconditioneerde geest. Dus blijf ik voor straf wachten achter een pilaar, totdat de eigenaar van de Porsche (en het zitje) verschijnt en ik met eigen ogen kan zien dat ik er volkomen naast zit. Ik hoop dat het een leuke vlotte oma met haar kleinkind blijkt te zijn. Of een succesvol ontwerper van kinderzitjes, met een hippe bril. Of een deskundige op het gebied van middeleeuwse geschiedenis in een geruit jasje. Dat zal me leren.    

 

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

10/4/2010 - la vie en rose

Mijn nichtje woont op Kreta, en nu komt ze op bezoek. Dat is bijzonder, want ik heb haar al heel erg lang niet meer gezien. We zijn ongeveer even oud. Vroeger giechelden we samen wat af, op familiefeestjes en tijdens logeerpartijen. We schreven elkaar jarenlang brieven, met roze inkt en volgeplakt met plaatjes uit de Popfoto, van The Police of van Nina Hagen. We lagen de hele tijd dubbel van het lachen. Bijvoorbeeld om Gerda, die schoonmaakte bij mijn nichtje thuis, en vrijmoedig haar blote voorgevel op de keukentafel neervlijde om ons het resultaat van haar borstverkleining te laten zien (sindsdien was ‘Gerda’ voor ons een geuzennaam).

We gingen kamperen in Zeeland. La Vie en Rose van Grace Jones in de disco. Jongens. Lol.  Mijn nichtje had prachtige ogen en een dikke bos zwart haar. Ze was slim en vrij en op zoek naar avontuur. Ze durfde alles (en met haar erbij durfde ik ook alles). Ze ging studeren. Ze zou het ver schoppen. En toen verdwaalde ze. Ze werd angstig. Ze wilde niet meer. Ze kreeg een ongeluk. Ze kwam pas dagen later uit coma. En toen was ze voor altijd anders.

Ze voelt zich tegenwoordig het beste op Kreta. Daar schijnt de zon en is het leven rustig. Geen ratrace waar ze niet meer aan mee kan doen. Geen feestjes waar iedereen vertelt wat hij doet en dat ook van jou wil weten.

En nu is ze dus even bij mij op bezoek. Sinds het ongeluk is er iets met haar ogen. Daar moet ze af en toe, in Nederland, naar laten kijken. Ik haal haar van de trein. Ze komt aanlopen met een bosje rozen in haar hand. Ze is het nog, en ook een beetje niet. We eten bij mij in de keuken. Mooie keuken, zegt ze. We praten over Gerda, over Zeeland, over onze vaders, die broers zijn. Ze vertelt dat ze het soms moeilijk vindt, alles wat ze niet meer kan. Maar ze vertelt ook over spannende mediterrane minnaars en over hoe ze bij voorkeur naakt in haar tuin de rozen snoeit (tja, dan hebben we het dus wel over een tuin op Kreta, niet over elf vierkante meter met een Gamma schutting in een Vinex wijk). Ik denk: wow.

Na een paar uur is ze moe, de koek is op. Ik breng haar naar het station en loop met haar mee naar het perron. De trein staat er al, ze stapt gauw in. We kletsen en lachen nog door, het lijkt op vroeger. Midden in een zin die ze zegt gaan ineens de deuren van de trein dicht. Ze zwaait nog en verdwijnt uit het zicht. Ik kijk nog even en dan ga ik naar huis. De volgende dag mailt ze me. De trein bleek helemaal de verkeerde kant op te gaan. Pas na allerlei omzwervingen was ze thuis gekomen, ver na middernacht. Ze kon er wel om lachen. Zo maak je nog eens wat mee, schrijft ze.

Ik bedenk me ineens dat het dus zo gaat. Ineens klapt er een deur dicht - je zit nog midden in je eigen vrolijke verhaal- en dan gaat de één totaal onvoorzien de verkeerde kant op. De ander niet, die loopt gewoon naar huis (mooie keuken).

En toch. Hulde aan mijn nichtje. La vie en rose. Nog steeds, zoveel ze maar kan.

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

6/4/2010 - Messi. Timmermanszoon.

Of Messi echt de zoon is van een timmerman weet ik niet. Het zou best kunnen. Hij ziet er zo..gewoon uit. Geen tattoos (althans, ik zie ze niet). Geen gouden kettingen of oorbellen of tanden, zoals zoveel van zijn collega vedetten. Messi zou,  bij wijze van spreken, gewoon ober kunnen op een terrasje in Barcelona. Zo’n vriendelijk type. Kijk maar. Ga maar eens zitten op zo’n terrasje. Er zijn er duizenden, in alle buurten van de stad. Meestal horen ze bij een klein barretje, waar je een onnavolgbare cortado kunt drinken. En waar de tapas altijd lekker zijn (en niet lijken op de onduidelijke tomatenprut, de rare kaas en de niet spaanse gehaktballetjes die je, sorry, in een Nederlands eetcafé  vaak voorgeschoteld krijgt, en die ook tapas heten. Verwarrend).  Goed, zo’n terrasje dus. Zodra je zit, is daar de ober. Hij lijkt op Messi. Echt waar. Hij is aardig, soepel en snel. Hij zet vliegensvlug een biertje voor je neer, en een schaaltje olijfjes. Hij lacht een verlegen lachje. Pff! Messi!

Taxichauffeur, dat zou hij ook kunnen zijn. Zo eentje die betrouwbaar is en je niet afzet (ja, wel letterlijk natuurlijk, waar je moet wezen, maar niet dat hij expres een heel eind omrijdt om jou een poot uit te draaien. Zo is hij niet. Messi deugt).

Of kok. Dat zie ik ook in ‘m. Geen chef, daarvoor is hij veel te bescheiden, en hij houdt niet van hard schreeuwen (en dat moet wel, weet ik van al die kookprogramma’s). Nee, Messi zou gewoon kok zijn. Altijd opgewekt, plezier in het werk, rennen en draven. En een supersnelle techniek met zijn…juist, zijn mes(si).

Maar goed, dat is Messi dus allemaal niet. Natuurlijk, we weten uit betrouwbare bron dat hij een Hele Gewone Jongen is gebleven. Hij zou je buurjongen kunnen zijn (of ober, of taxichauffeur, of gewoon kok). Maar dan betreedt hij het veld. Daar doet hij Hele Ongewone Dingen. Machtige Dingen.  Vier keer (vier!) scoren tegen Arsneal in de kwartfinale van de Champions League. De voet kleeft aan de bal. Messi danst de tegenstander weg. Stiftje over het hoofd van de keeper. De voet wappert er losjes en elegant achteraan. Wonderschoon. Zitten van blijdschap bij de cornervlag. Niks ober, taxichauffeur, kok. Ik weet het zeker. Lionel Messi is de zoon van een timmerman.

 

Comments (0) :: Post A Comment! :: Permanent Link

About Me

Een stukje dag plukken, en daar dan een blogje van maken. Da's leuk. Zo'n stukje dag kan van alles zijn. Iets vrolijks, iets fijns, iets aangenaams. Het kan ook duister zijn, of wonderlijk, of tenenkrommend. Vaak is het iets dat ontroert. Het beste is het als het me hoopvol stemt, of desnoods een tikkie melancholiek. Als ik zo'n stukje heb geplukt, dan zit ik goed. Dan is het een mooie bijdrage aan mijn blog-boeket. Veel leesplezier. Carpe(r) Diem.

Links

Home
View my profile
Archives
Email Me